J.K.A. Smith bespreekt in “Who’s afraid of postmodernism?” drie postmoderne filosofen (Derrida, Lyotard en Foucoult) en wat hun ideeën te zeggen hebben voor de Kerk van de 21e eeuw. Smith is niet iemand die reactionair alles van het modernisme in de vuilnisbak gooit en kritiekloos alles van het postmodernisme bejubelt. Hij biedt een kritische en realistisch analyse en trekt geen snelle conclusies. Smith mijdt een losgeslagen non-/antidenominationeel en individualistisch christendom maar pleit voor een radicale orthodoxie: een herontdekken van de waardevolle bestanddelen van de traditie en die toe te passen op onze postmoderne 21e eeuwse samenleving. De Kerk moet zich niet aanpassen aan de tijd waarin ze leeft (niet aan een moderne, maar ook niet aan een postmoderne tijd) ; de Kerk heeft in elke tijd juist de opdracht om datgene te bieden wat de samenleving mist; de Kerk moet juist een tegencultuur zijn; de Kerk heeft een verhaal; de Kerk heeft een getuigenis.
De eerste filosoof die Smith behandelt is Derrida, die zegt: “there is nothing outside the text”. Hij doet dit aan de hand van de film Memento. Voor wie die film gezien heeft, deze geeft heel goed weer wat Derrida bedoelt met zijn claim. Het komt er op neer dat Derrida bedoelt dat alles interpretatie is, door interpretatie tot ons komt (ook de bijbel dus) en dat je daarom nooit iets objectief kunt `weten’ (een modernistische claim). Dat is natuurlijk waar, en Smith stelt daarbij dat wij weliswaar de objectieve waarheid nooit kunnen beredeneren, maar dat we de Waarheid wel degelijk kunnen kennen, doordat de Heilige Geest ons dit laat zien. Dat is echter geen objectieve, rationeel beredeneerbare kennis, maar dat is geloof, die komt door openbaring.
Ja, ok, maar wat heb je daar nu aan?
De Kerk van de 20e eeuw is sterk beïnvloed door de modernistische wereldvisie. Dit blijkt o.a. door de behoefte/noodzaak om het geloof rationeel te verdedigen (apologetiek). De Kerk van de 20e eeuw heeft daarmee feitelijk gecapituleerd voor het modernisme en de superioriteit van de ratio geaccepteerd. De Kerk van de 21e eeuw hoeft dit niet meer te doen. Het `grote verhaal’ van een superieure objectieve rede heeft afgedaan. Het christelijk geloof is hier fundamenteel niet op gebaseerd en ook niet op de andere `grote verhalen’, zoals het marxisme, het humanisme, etc. Het christelijk geloof is fundamenteel niet-modern, het is gebaseerd op een ander soort verhaal, namelijk de mythe (in de betekenis van geloofsverhaal, niet van `sprookje’). In een postmoderne samenleving hoeven wij ons geloof niet meer rationeel te verdedigen, het geeft ons een nieuwe vrijheid om een moedig en krachtig getuigenis te laten horen. Postmoderne mensen worden niet overtuigd door rationele argumenten, maar door christenen die een authentiek verhaal hebben en waarbij je kunt zien aan hoe ze leven dat het waar is waar ze voor staan. Met andere woorden: de Kerk heeft een verhaal voor een samenleving in verwarring; we hoeven het verhaal alleen maar te vertalen naar onze tijd.
Derrida’s claim (er is niets buiten de tekst) komt heel dicht bij het klassieke protestantse adagium `sola scriptura’: Gods woord is onze belangrijkste gids voor het begrijpen van de wereld waarin we leven en voor het leven in die wereld.
De Kerk van de 20e eeuw is sterk beïnvloed door de modernistische wereldvisie. Dit blijkt o.a. door de behoefte/noodzaak om het geloof rationeel te verdedigen (apologetiek). De Kerk van de 20e eeuw heeft daarmee feitelijk gecapituleerd voor het modernisme en de superioriteit van de ratio geaccepteerd. De Kerk van de 21e eeuw hoeft dit niet meer te doen. Het `grote verhaal’ van een superieure objectieve rede heeft afgedaan. Het christelijk geloof is hier fundamenteel niet op gebaseerd en ook niet op de andere `grote verhalen’, zoals het marxisme, het humanisme, etc. Het christelijk geloof is fundamenteel niet-modern, het is gebaseerd op een ander soort verhaal, namelijk de mythe (in de betekenis van geloofsverhaal, niet van `sprookje’). In een postmoderne samenleving hoeven wij ons geloof niet meer rationeel te verdedigen, het geeft ons een nieuwe vrijheid om een moedig en krachtig getuigenis te laten horen. Postmoderne mensen worden niet overtuigd door rationele argumenten, maar door christenen die een authentiek verhaal hebben en waarbij je kunt zien aan hoe ze leven dat het waar is waar ze voor staan. Met andere woorden: de Kerk heeft een verhaal voor een samenleving in verwarring; we hoeven het verhaal alleen maar te vertalen naar onze tijd.
Derrida’s claim (er is niets buiten de tekst) komt heel dicht bij het klassieke protestantse adagium `sola scriptura’: Gods woord is onze belangrijkste gids voor het begrijpen van de wereld waarin we leven en voor het leven in die wereld.
Tot slot: als alles interpretatie is, en wij Gods woord ook alleen maar door middel van interpretatie tot ons kunnen nemen, dan zou het wel eens heel belangrijk kunnen zijn dat we ons laten inspireren door zoveel mogelijk verschillende interpretaties: die van de vroege christenen, die van de kerkvaders en onze voorouders, die van broeders en zusters uit allerlei landen, continenten en culturen. Of, zoals de bijbel het zelf verwoord:
“Dan zult u met alle heiligen de lengte en breedte, de hoogte en diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid” (Ef. 3:18-19)
2 Reacties
Sorry, Reacties plaatsen is nu niet mogelijk


Nice. En netjes uitgewerkt ook nog. Eén ding snap ik trouwens niet… moet de kerk nu juist aansluiten bij de geest der tijd, of niet. Je zegt eerst dat de opdracht is datgene te bieden wat de samenleving mist – iets waar ik mij heel erg kan vinden – om vervolgens tegen het eind van je stuk vooral in te gaan op de gebieden waarin de kerk aansluit op het postmodernisme (”Christelijk geloof is fundamenteel niet modern”, “We hoeven het verhaal alleen maar te vertalen naar onze tijd”, “Derrida’s claim komt heel dicht bij ’sola scriptura’”)… kun je dat nog even verduidelijken?
Ben,
de beste manier om postmodern te zijn, om met Smith te spreken, is om premodern te zijn.
mijn belang is niet om een kerk te creeren die postmodern is, bespaar me, dat wordt een zouteloze bende, maar wel nadrukkelijk niet modern. Smith pleit er voor (en daar kan ik een eind in mee komen) om niet te streven naar een losgeslagen en ongebonden kerk zonder wortels, maar om juist op zoek te gaan naar aanknopingspunten bij voor-moderene bronnen; voorbeelden zijn de kloosterspiritualiteit, de belijdensissen van Augustinus, katholieke tradities en rituelen, etc. De Kerk moet geworteld zijn in de traditie (zonder er aan vast te zitten) en putten uit de traditie van onze voorouders, dat getuigt ook van respect naar God die in alle tijden door de Kerk heen heeft gewerkt; dat in tegenstelling tot de `moderne’ protestantse en evangelische kerken, die zichzelf juist hebben losgemaakt van die rijke traditie.
Dat is het zo’n beetje, hoe en wat precies moet nog blijken, maar belangrijk aan Smith is de herwaardering voor traditie.
Hiermee kan de Kerk ook een counterculture vormen voor de postmoderne wereld om ons heen, die vaak sceptisch is en worstelt met een identeitscrisis.
groet,
peTer